• Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Planten

Kijk je naar planten, dan zijn tuinen grofweg in te delen in moestuinen, siertuinen en heemtuinen. Moestuinen of nutstuinen zijn in de winter vaak leeg en kaal en in de rest van het jaar vol groenten en fruit. In siertuinen overheersen cultivars; niet inheemse planten of gekweekte variëteiten.  In heemtuinen groeien vooral of uitsluitend inheemse planten. Onkruiden vind je in alle soorten tuinen. Het zijn planten die niet in je tuin welkom zijn. Zo kan brandnetel in de ene tuin onkruid zijn en in de andere tuin juist  een (bescheiden) plekje krijgen. 

 


Wat zijn stinzenplanten?

De naam is ontleend aan 'stins', de naam die vanaf 1400 in Friesland werd gegeven aan een stenen verdedigbaar huis, vaak niet meer dan een toren. Het woord stinzenplant is waarschijnlijk voor het eerst gebruikt in 1932 door de heemkundige Jacob Botke die hierbij geïnspireerd werd door de naam stinzeblomkes, die de bevolking van Veenwouden gaf aan Haarlems klokkenspel, dat daar rondom de Schierstins groeide. Na 1950 raakte de term ingeburgerd en werden stinzenplanten ook buiten Friesland gevonden. 

Stinzenplanten zijn verwilderde cultuurplanten die bij oude buitenplaatsen en dergelijke oorspronkelijk zijn aangeplant en sindsdien standhouden.  Sommige stinzenplanten zijn echter spontaan, op eigen kracht gevestigd daar terecht gekomen.  De meeste soorten zijn aangeplant en al dan niet 'verwilderd'. Deze planten zijn op eigen kracht gaan groeien buiten de plaats waar ze ooit zijn aangeplant of gezaaid.  Als zo'n plant zich kan standhouden zonder bewuste hulp van mensen, dan noemen we hem 'ingeburgerd'. 

 voorjaarsbloeiers, met vaak opvallende kleuren

 overwinteren als bol, knol of wortelstok

 alle categorieën meegerekend gaat het om ruim 100 soorten 

Drie categorieën stinzenplanten 

De groep van stinzenplanten is nogal divers. Het is daarom handig om een indeling te maken. In volgorde van meest authentieke soorten naar meer twijfelachtig: 

 (1) Nederlandse stinzenplanten (van oorsprong vaak mediterraan, tot stinzenmilieu beperkt, ingeburgerd of oorspronkelijk inheems, bijvoorbeeld sneeuwklokje, bostulp, holwortel) 

(2) regionale stinzenplanten (van oorsprong Midden-Europees, waarbij Nederland aan de rand van het verspreidingsgebied ligt, meestal Zuid-Limburg, bijvoorbeeld nieskruid, voorjaarshelmbloem en herfsttijloos) 

(3) exotische stinzenpanten, of neo-stinzenplanten (van oorsprong mediterraan of vaak verder en niet ingeburgerd, bijvoorbeeld helleborus, keizerskroon, rododendron)  

Historie en verspreiding 

 verhoogde woonplaatsen, terpen, wierden (puin, toemaak uit stad)

 kloostertuinen, kerkhoven, pastorieën, versterkte huizen (stinzen en borgen), buitenplaatsen

 regio's met stinzenmilieu: binnenduinrand, Utrechtse Vechtstreek-Kromme Rijngebied, verhoogde woonplaatsen in Friesland en Groningen

Groeiplek

 kalkhoudend (evt schelpenpaden), voedselrijk, sterke stikstofmineralisatie 

 goed doorlatend door bladcompost, puin of toemaak (= dek van stadsvuil tot in vorige eeuw) 

 sommige soorten verkiezen puinrijk/grindrijk substraat (bv crocus tomentosus)

 bodemschimmels -> suiker -> mieren 

 mieren (verspreiding zaden, luchtig houden bodem) mierenbroodje / honing als beloning  

 bomen -> suikers -> energiekringloop -> microryza  (en daarom is schaduw niet erg, want plant komt ook zonder fotosynthese aan energie)

 onder licht bos: bomen met niet te dichte kroon en goed verteerbaar strooisel

 nat in winter geen probleem (zomerklokje en lenteklokje staan in winter heel nat)

 droog in zomer (plant dan in rustfase)

 niet verstoord (vooral in zomer niet)

 bladdek/compost, mits snel verteerbaar (evt versnellen door kalk of in voorjaar te veel aan blad weghalen)

Stinzenplanten en bodemschimmels

Net als vrijwel alle meerjarige planten hebben stinzenplanten behoefte aan stabiele bodems, omdat bij voortdurende storing zich geen schimmelflora kan ontwikkelen en deze is  voorwaarde omdat planten daarmee in symbiose leven.  Verstoorde bodems zijn daarentegen weer ideaal voor één- en tweejarigen.  

Stinzenplanten op De Pioniers?

Gezien de kleiige bodem, de 'toemaak' met stadsvuil is De Pioniers geschikt als stinzenmilieu. Neem daarbij de lichte kroon van essen, de aanvoer van goed composteerblad blad en je hebt de ideale groeiplaats voor stinzenplanten.  Omdat er zo veel soorten zijn is het aardig om ons te beperken tot de Nederlandse stinzenplanten en om aan te sluiten op de historie van de buitens langs Kromme Rijn en vooral de Vecht (want daar lijkt het milieu nog het meest op: kleigrond met overgang naar veen). 

De volgende soorten komen dan het meest in aanmerking:

- donkere ooievaarsbek 

- holwortel 

- dichtersnarcis 

- lenteklokje 

- breedbladig klokje

- smal longkruid

- Italiaanse aronskelk

- maarts viooltje

- vingerhelmbloem

- daslook 

- knikkend vogelmelk  

- boerenkrokus

- wilde hyacint 

- bosanemoon 


De volgende soorten komen minder in aanmerking (proefondervindelijk, nogal woekerend):

- sneeuwklokje (veel soorten)

- lelietje-der-dalen 

- winterakoniet

- breed longkruid

- vingerhoedskruid 

- lievevrouwenbedstro

Meer weten ?

- Martenastate, Franeker (volgens kenners de mooiste stinzentuin van Nederland)

- Stinzenplanten (Piet Bakker en Evert Boeve, 1985)

- www.stinzenflorafryslan.nl 

- Stinzenplanten- en moerastuin Wim Baas, Kerkdijk 132, Westbroek    

- Oase, voorjaar 2012 en zomer 2013 (artikelen over stinzenflora)

Bomen en struiken
volgt

Haagvormers
volgt....

Heemplanten, cultivars en exoten 
volgt ....

Onkruid
Wat is het eigenlijk? En: hoe komen we er van af?  Zijn er misschien nog aangename kanten te ontdekken?  We nemen een kijkje in de wereld van distel, netel en zuring; stuk voor stuk planten die ons sinds mensenheugenis op de voet volgen.  Soms zelfs letterlijk, zoals zevenblad dat Romeinse legioenen meebrachten. Niet voor niets zijn deze planten kosmopoliet; ware globetrotters die overal voet aan de grond weten te krijgen, zodra de omstandigheden gunstig zijn.
Waar mensen buiten bezig zijn, groeit onkruid. Het predikaat “onkruid” verdient een plant zodra hij voortdurend verschijnt op plekken waar je hem nou nét niet wilt hebben. Nog vervelender wordt het als je hem ondanks verwoede pogingen daar niet weg krijgt. Het lijkt zelfs of het erger wordt. En dat kan kloppen, want de meest hardnekkige onkruiden vermeerderen zich vegetatief, dus via worteluitlopers. Soms is een fractie van een wortel het begin van een nieuwe haard! 

Oorzaak van onkruid: onrust en verrijking
Als je een bepaalde plant wilt bestrijden, helpt het te weten waarom die plant juist daar is gaan groeien. De meeste soorten zijn opportunisten en groeien graag op omgewerkte grond.  Daar is de bodem kaal en is plotseling stikstof vrijgekomen. De akkerdistel houdt daar van.  Ook het storten van groenafval, snoeihout en aarde kan een explosie van onkruid tot gevolg hebben. Zo tref je langs paden die met haksel verstevigd zijn vaak randen van brandnetel aan.
Dergelijke planten die van onrust en stikstof houden treffen het momenteel bijzonder. Nóóit is er in Nederland zoveel op de schop gegaan; nóóit is er zoveel  stikstof aangevoerd via de atmosfeer. Daar valt moeilijk tegenop te maaien, grazen of wieden.

onkruid bestrijden: rust en verschraling
Onkruid bestrijden begint bij aanpak van de bron: minder “onrust zaaien” voorkomt een hoop ergernis. Verstoor de bodem daarom zo min mogelijk. De oplossing om een onkruidhaard weg te krijgen is ook eenvoudig, maar vraagt geduld: laat de plek met rust. Want de meeste onkruiden houden niet van een stabiel milieu en zullen na een jaar of 5 gaan wegkwijnen. Andere plantensoorten nemen het dan geleidelijk over. Dit proces kun je helpen door verschralingsbeheer toe te passen. Maaien en afvoeren dus. Maaien vlak voor de bloei is sowieso aan te raden. Niet alleen om de planten uit te putten, maar ook om verspreiding door zaad te voorkomen.  Planten met holle stengels, zoals akkerdistel, worden extra benadeeld door vlak voor regen te maaien; de stengels rotten dan in.
Geduld is een schone zaak. Ook hier: het probleem van onkruid lost zichzelf op. Geniet ondertussen van de aangename kant van bloeiende akkerdistel, braam en jacobskruiskruid: ze staan in de top-10 van nectarleveranciers en zitten vaak vol vlinders. Besef dat de brandnetel waardplant (dat is: voedselplant voor rupsen) is voor meer dan 20 vlindersoorten.

 

 

De top-10 van meest gevreesde planten
De wereld van onkruiden is veelbesproken. Akkerbouwers, veetelers, natuurbeschermers en tuinders: ze hebben allemaal een eigen lijstje van gevreesde planten. Zo is jacobskruiskruid heel gevaarlijk in gebieden met grazend vee, maar in een heemtuin heb je er alleen maar plezier van. Voor De Pioniers is onderstaande lijst samengesteld. De volgorde is niet helemaal willekeurig...

   zevenblad
   haagwinde
   kweek
   heermoes
   braam
   brandnetel
   akkerdistel
   ridderzuring
   paardenbloem
   reuzenberenklauw

Zevenblad
Zevenblad (Aegopodium podagraria) is een vaste plant uit de schermbloemenfamilie en lijkt veel op fluitenkruid. Het bloeit echter niet in de lente maar pas vanaf juni. Bovendien heeft het een ander blad met drietallige topblaadjes waaraan twee tweetallige zijblaadjes. Daaraan dankt de plant haar naam. De plant groeit op vochtige humeuze plekken in losse grond in halfschaduw. Bosranden en lichte bossen vormen van nature de standplaats. Het is een berucht onkruid, omdat het kruipende, ondergrondse uitlopers (rizomen) heeft, en daardoor moeilijk weg te halen is. De plant profiteert van spitten en schoffelen; elk stukje wortel zal weer snel uitgroeien tot een nieuwe groeiplaats. En in losse grond kan het wortelstelsel zich veel sneller verbreiden. Hou er ook rekening mee dat zevenblad zich zeer sterk uitzaait!

In parken en tuinen is het, naast heermoes en kweek,  een van de drie lastigste onkruiden. Ga nooit wroeten in de grond: daarmee stimuleer je de plant. Het beste is de plant uit te putten. Dat doe je door jaarlijks afknippen bij de grond vlak vóór de bloei. Voorkom te allen tijde bloei, want de plant zaait zich zeer sterk uit !  Hiermee zal de plant uitputten, terwijl de grond met rust gelaten wordt. Met de riek de plant met wortel en al uitgraven en alle wortels weghalen is alleen op kleine, beginnende  groeiplaatsen een haalbaar alternatief. Blijf dit doorzetten tot aan het einde van het groeiseizoen. Zeef de aarde zodat je de kleinste wortelstukjes weghaalt.
Een andere mogelijkheid is zevenblad te verdringen door andere planten. Zo zal maagdenpalm na verloop van tijd zevenblad de baas worden. Vinca hirsuta en Vinca major zijn het effectiefst. Ook zijn er planten die zevenblad niet direct verdringen, maar die toch in een toestand van gewapende vrede met zevenblad samenleven. Dit zijn bijvoorbeeld struisvaren (Matteuccia struthopteris) en salomonszegel (Polygonatum x hybridum). Ook vrouwenmantel (Achemilla mollis) is tegen zevenblad opgewassen en je zou je zelfs kunnen afvragen wie van die twee het grootste onkruid is.. 
Twee jaar afdekken met landbouwplastic heeft een vergelijkbaar effect. Een beukenhaag kan een natuurlijke barrière rond een groeiplaats vormen. Daarmee houd je je buren te vriend.

De plant bloeit mooi en wordt vooral bezocht door zweefvliegen. Laat het echter nooit zo ver komen, want de plant zaait zich heel makkelijk uit. De Romeimen namen het overal waar ze kwamen mee als groente. En dat hebben we geweten. Niet voor niets is 'Romeinse kervel'  een streeknaam. De bladeren kunnen worden geoogst en bereid als spinazie. Jonge verse bladeren zijn ook rauw te eten. Gedroogd is zevenblad te gebruiken als "peterselie" en smaakt ook daar naar. Zevenblad zit boordevol vitamine C, provitamine A en kalium, calcium, magnesium en kiezelzuur.
In de volksgeneeskunde gebruikte men zevenblad bij de behandeling van jicht en reuma. De naam (Podagra) verwijst daar ook naar. Omslagen van gekneusde zevenblad bladeren werken pijnstillend op pijnlijke gewrichten. Er zijn maar weinig diersoorten die afhankelijk zijn van zevenblad. De ecologische betekenis is dus beperkt.

Haagwinde
Klokkenslag is de bijnaam: de klimplant draait om cultuurgewassen zoals riet en maïs en trekt deze uiteindelijk tegen de grond.  Akkerwinde en vooral de haagwinde (Calystegia sepium) zijn hierom berucht. Haagwinde kan meters hoog klimmen en zich sterk vertakken. Over de grond kruipende stengels bloeien niet en vallen weinig op. Totdat zo’n stengel een opstakel tegenkomt; dan worden windende stengels omhoog gezonden. Deze stengels bloeien met witte kelken, bekend als “pispotjes”. De harde zaden verspreiden zich in de directe omgeving en zijn redelijk vuurbestendig. 

Haagwinde gedijt op voedselrijke, vochtige bodem. Hoe voedselrijker de bodem hoe weliger de plant groeit. De plant houdt vooral van kleigrond; op zandgrond is zij een indicator van (overmatige) bemesting. Omdat de plant plaatselijk sterk kan woekeren en daarmee waardevolle vegetaties kan bedreigen, is bestrijding soms nodig.
Het voorkomen van bloei en daarmee zaadverspreiding zorgt voor beperking van de onkruidhaard. Dat kan door tijdig te maaien. Bij afvoer van het maaisel verschraal je de grond en maak je het de haagwinde moeilijker. Eenmaal gevestigd krijg je de plant moeilijk weg. De plant sterft bovengronds ieder jaar af maar loopt weer uit vanuit de stevige wortels. Afgebroken stukjes wortel lopen weer uit. Met rust laten van de bodem is uiteindelijk de beste oplossing.

Met de fraaie kelkbloemen en dakpansgewijze bladerdek zijn een sierraad op ruige en rommelige plaatsen. De bloemen leveren nectar aan bijen, hommels en zweefvliegen. De rupsen van de windepijlstaart leven van de akkerwinde en haagwinde. De imago van deze nachtvlinder leeft van de bloemen van de winde.

Kweek
Kweek (Elytrigia repens) een middelhoog tot hoog gras dat in de zomermaanden bloeit. De plant is overblijvend en verspreid zich via zeer krachtige worteluitlopers.
Kweek is vermoedelijk het meest beruchte en gevreesde onkruid in Europa en Noord-Amerika. In razendsnel tempo vermeerdert de plant zich via wortelstokken die op ongeveer 10-15 cm onder het maaiveld bevinden. Hoe wisselvalliger de omstandigheden des te meer kweek in het voordeel is. In stabiele graslanden komt kweek niet voor, maar zodra verstoring plaatsvindt (overbemesting, stukrijden, opentrekken van grasmat) duikt kweek op. Waar kweek groeit is geen bloemrijke en gevarieerde begroeiing mogelijk. Verder is kweek vooral gehaat in landbouwgebieden door zijn enorme concurrentiekracht en moeizame bestrijding.

Kweek valt nauwelijks te bestrijden! Dus zorg dat je vestiging voorkomt door niet te klepelen of te frezen, de bodem te verstoren of voedingsstoffen te dumpen. Is kweek eenmaal een probleem dan is zeer intensief en veelvuldig eggen (20 cm diep) het meest effectief. Dat heeft alleen zin in de zomer, omstreeks de bloei (de meeste voedselreserves zijn dan uit de wortels verdwenen) en onder droge omstandigheden. De worteldelen raken uitgeput en verdrogen.
In bermen en oevers kan frequent maaien en afvoeren helpen kweek terug te dringen. Kweek heeft veel licht nodig, dus inzaaien met een snelsluitend voorjaarsgewas kan helpen de vestiging te voorkomen of te beperken. Twee jaar afdekken met landbouwfolie heeft een vergelijkbaar effect.

Voor een aantal soorten dagvlinders is kweek een waardplant (dikkopjes en zandoogjes). De eigenschappen van kweek zijn te benutten als de bodem snel moet worden vastgelegd, bijvoorbeeld na overstroming, verstuiving of aardverschuiving.

Heermoes
Heermoes (Equisetum arvense) is de meest algemene vertegenwoordiger van de paardestaartenfamilie. Paardestaarten zijn makkelijk te herkennen aan hun “prehistorisch” uiterlijk. In het Carboon groeiden paardstaarten uit tot tientallen meters hoge 'bomen' die voor een belangrijk deel de  huidige steenkoollagen vormden. De plant is te onderscheiden van andere paardestaarten doordat de zijstengelleden (de uit elkaar te trekken onderdeeltjes van de plant) langer zijn dan die van de hoofdstengel, in tegenstelling tot de sterk erop gelijkende lidrus. De overige soorten uit de familie hebben meestal een holle stengel, terwijl die van heermoes gevuld is.   Heermoes is een overblijvende plant die vooral op vochtige en enigszins verdichte, schaduwrijke plaatsen voorkomt.
Een groot deel van de biomassa van de plant bevindt zich onder de grond. De helft van de wortelstokken zit dieper dan 25 cm en de helft van de knolletjes dieper dan 50 cm. Vaak dringt de plant meters diep de grond in (tot wel 3 m) en vormt van hieruit horizontale stelsels van wortelstokken. Met name de wortelstokken en knolletjes die losraken van de planten zijn belangrijk voor de verspreiding en het overblijven van heermoes. In mindere mate vindt de verspreiding plaats met behulp van sporen.
Heermoes is vooral lastig in akkerland (of omgezet terrein). Zijn nauwe verwant lidrus wordt als onkruid in grasland beschouwd. Heermoes kan giftig zijn voor vee en schijnt ook voor planten vergiftig te zijn; het remt vermoedelijk de kieming van grassen. 

Bij schoffelen of ploegen worden de wortelstokken tot stukjes kleine wortelstokjes gemaakt die opnieuw zullen uitlopen. Daardoor is mechanisch of handmatig verwijderen vrijwel onmogelijk. De plant is resistent tegen veel chemicaliën.
Stoort u zich aan deze spontane begroeiing, dan kunt u het beste maaien. Laat het maalsel gerust liggen. De vruchtbare, sporendragende en bladgroenloze stengels moet u in de lente plukken en afvoeren.
Verbreiding van heermoes wordt geremd door de grondwaterstand omlaag te brengen en beter te draineren. Regelmatig maaien zou ook effectief zijn. Ook herhaaldelijk ploegen of frezen is een methode die uiteindelijk de plant doet wegkwijnen. De wortelstokken worden weliswaar verspreid maar krijgen de kans niet diep in de grond te dringen waardoor de plant uitgeput raakt. Het inplanten met een concurrentiekrachtig gewas zoals maagdenpalm, waaronder heermoes weinig uitgroeimogelijkheden heeft, is ook een oplossing. Onder oudere struiken waar er weinig licht is, duikt heermoes zelden op. Het is een lichtminnende plant. In de schaduw is hij niet zo levenskrachtig en groeit hij ijl en slap.

Heermoes heeft ook goede eigenschappen. De plant kan goed groeien op storthopen van slakken en as. De zware metalen hierin zijn voor veel planten giftig, maar heermoes slaat ze op in het eigen weefsel, waardoor de plant meer zware metalen bevat dan de bodem. Dankzij deze eigenschap wordt de plant als indicator gebruikt. De plant wordt ook gebruikt als geneesmiddel. Hij bevat meer mineralen dan de meeste andere planten en is bijzonder rijk aan kiezelzuur, dat ons lichaam nodig heeft voor de opbouw van botten, haren, nagels en kraakbeen.

Braam
Braam (rubus fructicosus), vaak de wilde worteluitlopers van een gecultiveerd ras, is hinderlijk en wordt dan als onkruid beschouwd. Bramen houden het midden tussen een kruidachtige en een houtachtige plant. De jonge stengels verhouten, bloeien een of twee jaar daarop en sterven vervolgens weer. De basis van de plant overleeft en vormt jaarlijks jonge scheuten die weer tot stengels uitgroeien.  De braam is overal in de wereld geïntroduceerd. In Zuid-Afrika is de braam een lastige exoot. Bramen groeien op voedselarme grond en dan vooral in overgangssituaties, bijvoorbeeld in bosranden of open plekken in een bos. Wanneer de plant de ruimte krijgt gaat hij snel woekeren.

Uit de bovengenoemde eigenschappen zal duidelijk zijn dat maaien of bij de grond afknippen niet echt een optie is, omdat de basis van de plant intact blijft. Vooral plaatsen waar aan bosbeheer wordt gedaan is het zaak opslag van braam in de kiem te smoren. De combinatie van licht (kroonlaag weg) en voedsel (takhout) staat garant voor een snelle uitbreiding.

Tal van vogels en zoogdieren eten de vruchten en zorgen zo voor de verspreiding. Ook voor de mens vormt de braam een bron van vitamine C. Bramen leveren stuifmeel en nectar aan veel soorten zweefvliegen, bijen en kevers. In bossen op voedselarme bodems zijn bramen vaak de enige drachtplant. De nectar is bijzonder suikerrijk en levert goede honing. De braam is door zijn stekels redelijk beschermd tegen de vraat van grote grazers. Onder bescherming van braamstruweel kunnen bomen als de eik tot wasdom komen. Vogels en kleine zoogdieren vinden er bescherming.

Grote brandnetel
De grote brandnetel (Urtica dioica) is een overblijvende zomer- en herfstbloeier met horizontale, sterk vertakkende wortelstokken. Als de plant zich eenmaal heeft gevestigd zal hij zich makkelijk uitbreiden via worteluitlopers. Dat gebeurt vooral in voedselrijke, vochtige grond en in oevers.

Als brandnetels in borders gaan groeien of op plaatsen waar een ander beeld gewenst is, bijvoorbeeld bloemrijk grasland,  is bestrijding gewenst. Ook langs paden of roughs is de plant hinderlijk vanwege de brandharen. Op plaatsen waar de plant niet in de weg staat en zeldzame vegetaties niet overwoekert kan de plant in grote groepen worden getolereerd. De ecologische betekenis is namelijk hoog. Een dergelijke plek is eventueel af te schermen door folie in te graven.
Voorkom grote brandnetel door tegengaan van mestinvloeden.  En zorg voor een gesloten grasmat.  Brandnetels zullen zich dan niet makkelijk vestigen. Bestrijdt een brandnetelhaard door consequent verschralingsbeheer door te voeren (dus paar keer per jaar maaien en afvoeren), waarmee nutriënten worden afgevoerd en de plant wegkwijnt.

Brandnetels zijn nuttige planten voor mens en dier. Zo zijn er een aantal vogelsoorten die in brandnetelruigte broeden, bijvoorbeeld de bosrietzanger en nachtegaal.  Op halfbeschaduwde plaatsen, bijvoorbeeld in een bosrand, zijn brandnetels van wezenlijk belang voor veel soorten insecten. Daaronder bevinden zich zeker 20 soorten dag- en nachtvlinders. Vlinders als atalanta, landkaartje en gehakkelde aurelia leggen hun eitjes op brandnetels. Voor deze vlindersoorten is de brandnetel een waardplant; de rupsen leven van de bladeren.
Brandnetel kent veel vormen van gebruik door de mens. We noemen de belangrijkste: Jonge brandnetelblaadjes zijn te eten als spinazie en er is soep van te maken. Brandnetel kan ook worden verwerkt in kaas. Brandnetelgier, een aftreksel van brandnetelbladeren, wordt met succes gebruikt ter bestrijding van o.a. luizen. Brandnetelgier is ook een stikstofrijke meststof. 

Akkerdistel
Onder de distels is de akkerdistel (Cirsium arvense) de meest algemene en meest verguisde. De bijnaam “boerenplaag” spreekt boekdelen. Toch werden in de plant ook gunstige eigenschappen gezien: in de Middeleeuwen kwam de distel in de heraldiek voor als symbool voor weerbaarheid. De plant bloeit lichtpaars van mei tot oktober. De akkerdistel is de enige die zich handhaaft via een wortelstok; de andere distelsoorten zijn een- of tweejarig. Daarom zie je de akkerdistel bijna altijd massaal en de andere distelsoorten juist verspreid.  
De akkerdistel is een pioniersoort van open, gestoorde grond. Vooral akkerland is daarom favoriet, maar elke andere open plek in de grasmat maakt kans! Daarom is akkerdistel een bijna vaste factor bij natuurontwikkeling. Kiemplanten gaan na acht weken uitlopers maken en vanaf dat moment wordt de plant moeilijk te bestrijden. Via worteluitlopers verspreidt de plant zich namelijk zeer effectief. Een wortelfragment kan het begin van een nieuwe haard betekenen!
Vanwege de hoge natuurwaarde is de plant buiten landbouwgebieden geen probleem. Een 50 m brede distelvrije zone tussen natuur (waar de plant getolereerd wordt) en landbouwgebied zou voldoende zijn om voor overlast bij de buren te zorgen. Verspreiding door zaad is namelijk weinig effectief. Ten eerste blijft het meeste zaad vastzitten aan de bloembodem; ten tweede komt het zaadpluis vaak niet verder dan 10 m.  

Ook hier geldt: voorkomen is beter dan genezen.  Maar staan ze er eenmaal dan is de beste bestrijding ook bij distels: zorg dat er weer rust in de bodem komt. Als de plant geen probleem oplevert voor anderen kun je de tijd nemen. Na 5-8 jaar is de plant namelijk verdrongen door soorten van een stabieler milieu.
Akkerdistel (en ook akkermelkdistel) kan mechanisch bestreden worden door de haarden herhaaldelijk te maaien, vanaf het openen van de bloemen (vanaf eind mei - begin juni tot in oktober; minimaal 2 en zonodig tot 6 keer per jaar). De planten worden extra benadeeld door vlak voor regen te maaien; de stengels rotten dan in. Als het probleem lokaal is, is uitsteken zonder de zode te beschadigen, de beste remedie. In het begin zijn meerdere rondes per jaar nodig.

Distels hebben uitzonderlijk veel pluspunten! Akkerdistels zijn enorm in trek bij veel soorten nectarzoekende vlinders. Voor de distelvlinder is de plant zelfs waardplant (voedselplant voor de rupsen). Daarnaast is de akkerdistel drachtplant voor bijen en hommels. Verder leven er enkele honderden insectensoorten op en rond de distels. Deze insectenrijkdom én de zaden trekken weer vogels aan. De putter bijvoorbeeld, die niet voor niets de naam distelvink draagt.

Ridderzuring
De zuringfamilie bestaat uit vooral graslandplanten met een penwortel. In Nederland zijn 10 soorten zuring aan te treffen. De ridderzuring (Rumex obtusifolius) behoort tot de 40 algemeenste soorten in Nederland. Het is een forse plant met bladrozetten en een taaie, zeer lange en vertakte penwortel. 
Bij extensieveren van graslandbeheer kan de plant gaan domineren. Vooral begrazing door paarden werkt, als gevolg van hun manier van grazen, vestiging van ridderzuring in de hand. De plant vestigt zich op omgewoelde, voedselrijke plaatsen op alle grondsoorten. Eenmaal gevestigd is de plant moeilijk weg te krijgen door de sterke penwortel. Als de plant tot bloei komt wordt het probleem nog groter: de plant vormt veel zaad dat zich gemakkelijk verspreid en tientallen jaren haar kiemkracht behoudt.

Bestrijdt ridderzuring door tegengaan van omgewoelde of vertrapte voedselrijke plekken. Voorkom dergelijke plekken door snelle bodembedekking (inzaaien met bijvoorbeeld kruidenrijk grasmengsel), door tegengaan van insporing en door snel herstel na graafwerkzaamheden. Ridderzuring verdwijnt overigens 5 jaar na de verstoring. Vaak gaat dat samen met het verschijnen van concurrent fluitenkruid. Verdere uitbreiding is te voorkomen door maaien en afvoeren vóór de zaadzetting.
Bestrijding met de hand kan bij een een lokaal probleem. Het kapot steken van het bovenste deel van de wortel werkt prima; het ‘onthoofde’ wortelstelsel sterft af.  Het kapot steken is het meest effectief vlak vóór de bloei omdat de plant dan het meest wordt uitgeput (het merendeel van de voedingstoffen bevindt zich dan namelijk bovengronds) en verspreiding door zaad wordt voorkomen. Wanneer de bestrijding goed wordt uitgevoerd, de grasmat voldoende dicht is en het graslandmanagement in orde is, kan ridderzuring vervolgens met veel minder inspanning goed in de hand gehouden worden.

Een aantal soorten insecten, waaronder de rupsen van een aantal vlindersoorten, leven uitsluitend op zuring. Afgestorven plantendelen vormen een overwinteringsplek voor insecten. Overigens geeft de kleine broer van de ridderzuring, de veldzuring, vochtige graslanden in de voorzomer een prachtige rode gloed.

Paardenbloem
Net als de braam kent de paardebloem (Taraxacum officinale) een complex van vele vormen, waaronder de schraallandpaardebloem en de moeraspaardebloem. Alleen al in Nederland zijn meer dan 150 microsoorten aanwezig. Voor het gemak worden al deze soorten onder een noemer genomen: de gewone paardebloem.  
Paardebloemen kunnen goed concurreren met grassen als engels raaigras (die in de meeste Nederlandse cultuurgraslanden domineert). Open plekken in de grasmat worden snel veroverd en de plant kent door de ondergrondse voedselreserve een vroege en snelle groei in het voorjaar. De plant kan uiteindelijk te veel gaan domineren. Het tegenwoordige graslandbeheer met overbemesting en de verregaande mechanisatie werkt in het voordeel van de paardebloem, omdat de grasmat niet meer voldoende sluit. Ook afwisseling van beweiden en hooien bevordert de plant.

Zoals voor de meeste onkruiden profiteert de paardebloem van onrust in de bodem. Massaal vestigt de soort zich in omgehaalde bermen of braakliggend of omgezet akkerland. De zaadverspreiding door de wind is effectief.  Na het sluiten van de grasmat en hoger worden van de vegetatie zal de plant uiteindelijk weer verdwijnen. Bestrijden in natuur- en recreatieterrein is daarom meestal niet nodig, tenzij de plant door haar overheersing het gewenste eindbeeld te zeer tegenwerkt.  Evenals bij de akkerdistel werkt frezen bevorderend; in wezen ben je plant aan het stekken want uit elk worteldeeltje groeit weer een nieuwe plant. Dus ook hier geldt: laat de grond met rust.

Vooral in het voorjaar kleuren paardebloemen weilanden geel. Paardebloemen vormen voor tal van gewervelden een belangrijke voedselbron. Vooral de bladeren en bloemhoofdjes worden gegeten, onder andere door ree, konijn, haas. Ook voor menselijke consumptie is de plant, nauw verwant aan witlof en andijvie, geschikt (molsla). Thee van gedroogde paardebloembladeren is een beproefd volksgeneesmiddel tegen de meest uiteenlopende kwalen.
Daarnaast zijn paardebloemen drachtplant voor honingbijen en zijn verschillende (snuit-) keversoorten van de plant afhankelijk.

Reuzenberenklauw (en andere brandende planten)
De reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) is een plant uit de schermbloemenfamilie. De plant komt uit zuidwest-Azie en is in de 19e eeuw als tuinplant in Europa geïntroduceerd. De plant dankt zijn naam aan de klauwvormige bladeren. De reuzenberenklauw is een overblijvende plant en kan, afhankelijk van de standplaats, in de lente in een paar maanden tijd, uitgroeien tot wel 4 m hoog. Afhankelijk van de standplaats zullen de zaailingen na een of meerdere jaren het bloeistadium bereiken. Het eerste jaar blijft de plant laag (ca 50 cm), het jaar erop is hij meestal volgroeid en bloeit van juni tot augustus met een variabel aantal schermen vol witte bloemetjes. Na gebloeid te hebben sterft de plant af. De plant houdt van verstoorde, voedselrijke grond.

Omdat de reuzenberenklauw zo kiemkrachtig is en met zijn bladeren al het licht voor andere planten wegneemt, wordt de soort beschouwd als een onkruid. Het aanraken van de plant bij zonnig weer kan huidirritatie veroorzaken; wanneer het sap op de huid komt kunnen brandwonden tot de tweede graad ontstaan. Het verraderlijke van deze planten is dat je - in tegenstelling tot bijvoorbeeld brandnetels - niets voelt als je ze aanraakt en de gevolgen pas echt zichtbaar worden als de zon schijnt (fototoxische reactie), soms meerdere uren later. Niet iedereen is daar gevoelig voor, maar bij sommige mensen kan aanraking na 24 uur rode jeukende vlekken veroorzaken, die gevolgd worden door zwelling en blaarvorming Het letsel kan er uitzien als een brandwond en het kan twee weken duren voordat het genezen is.
Jonge planten laten zich goed uitsteken. De plant kan slecht tegen maaien. Omdat de plant zich aan maaien aanpast, dient er herhaald gemaaid te worden, om te voorkomen dat de plant in bloei komt en tot zaadvorming overgaat. Het is verstandig bij het werken met de plant volledig gekleed te zijn (lange broek, lange mouwen, handschoenen).

Behalve reuzenberenklauw zijn er tientallen andere tuinplanten die dergelijke verbrandingen kunnen veroorzaken. De modieuze vuurwerkplant (Dictamnus albus) is zo'n gevaarlijke brandplant. Vooral de decoratieve zaaddozen zijn erg gevaarlijk. Andere beruchte sierplanten zijn de wonderboom (Ricinus communis), de azijn- of fluweelboom (Rhus) en de pruikenboom (Cotinus). Gewoon huidcontact met de bladeren of de takken kan al volstaan voor fototoxische reacties.
Ook wijnruit (Ruta graveolens), akkerscherm (Ammi majus), engelwortel (Angelica), duizendblad (Achülea millefolium), duizendknoop (Persicaria), en Lantana camara zijn planten die bij aanraking of contact met het sap brandwonden kunnen veroorzaken.

U bent hier: TUINTIPS planten